Zoogdieren

De zoogdiermonitoring richt zich op kleine marterachtigen (hermelijn en wezel), de das en vleermuizen als Rosse vleermuis en laatvlieger.

De monitoring van wezel en hermelijn vindt plaats met zogenaamde Mostela’s (marterboxen). Dit zijn kisten met een loopbuis en een cameraval; als een marter door de loopbuis loopt, wordt het op foto of film vastgelegd. Hiermee wordt de aanwezigheid van beide soorten onderzocht en kan mogelijk een uitspraak worden gedaan over (relatieve) aantallen wezels. Door de grillige demarcatielijn (overgang rugkleur-buik) kunnen dieren individueel worden herkend. Door jaarlijks in het najaar te monitoren, kan een mogelijk effect van een aangepast agrarisch beheer worden gemeten. In kruidenrijke randen is er meer dekking en meer voedsel (muizen, spitsmuizen) waardoor er meer kleine marters kunnen leven. Door niet alleen te meten in gebieden met agrarisch natuurbeheer maar ook zonder agrarisch natuurbeheer, wordt het effect nader onderzocht (dit heet: beleidsmonitoring). In het najaar van 2016 vindt de eerste monitoringsronde plaats.

In de Maasheggen en in het Groene Woud wordt in 2016 en 2017 ook het effect van agrarisch natuurbeheer op vleermuizen onderzocht. Dit gebeurt door het lopen van transecten van 5 km in gebieden waar pakketten zijn afgesloten. Op de transecten worden met een Batlogger opnames gemaakt van vleermuisactiviteit.

Alleen in de Maasheggen wordt ook het effect van agrarisch natuurbeheer op de das gemeten. Dit is niet eenvoudig, omdat een toe- of afname van dassen in een gebied uiteraard niet alleen afhankelijk is van het agrarisch beheer. Ook de aanwezigheid van goede burchtlocaties en sterfte door o.a. verkeer en overstromingen bepalen het aantal dassen. Om dit goed te doen, onderzoekt de Dassenwerkgroep Brabant de verspreiding van dassen en hun aantallen in het gebied, en zet dit af tegen de verandering in omgevingsfactoren inclusief verandering in agrarisch beheer.

Das. Foto: Jelger Herder

Das. Foto: Jelger Herder