Bestuivers en dagvlinders

Bestuivers
Agrarisch natuurbeheer is potentieel zeer belangrijk voor het stimuleren van bestuivende insecten, een groep die het zeer moeilijk heeft en waarvan de aanwezigheid vele voordelen heeft voor de natuur én de boeren. Bestuivers kunnen een zeer goede indicatie zijn voor de bredere biodiversiteitsdoelen van het agrarisch natuurbeheer.

Dagvlinders
Voor dagvlinders is de aandacht gericht op de provinciale doelsoorten in het agrarische gebied aangevuld met soorten die hun leefgebied in het agrarisch gebied hebben, maar onder druk staan. Voor dagvlinders betreft het vier doelsoorten, te weten argusvlinder, bont dikkopje, bruine eikenpage en sleedoornpage. Daarnaast zijn de graslandvlinders een belangrijke indicatieve groep. Dit betreft een groep soorten die sterk onder druk staan in Nederland, en in het agrarisch gebied en de overgangen van agrarisch gebied naar natuurgebied hun leefgebied hebben. Het gaat om de volgende negen soorten: bruin blauwtje, bruin zandoogje, groot dikkopje, hooibeestje, icarusblauwtje, kleine vuurvlinder, oranje zandoogje en zwartsprietdikkopje. Deze soorten spelen in de rupsenfase een rol als bulkvoedsel voor andere soorten (bijv. vogels), en in het volwassen stadium als bestuiver.

In de pilotgebieden wordt gemonitoord in een aantal routes, gericht op de evaluatie van de effectiviteit van beheermaatregelen. De routes of transecten worden opgedeeld in secties van 50 meter lengte en hebben een maximale lengte van een kilometer.

Argusvlinder. Foto: Jelger Herder

Argusvlinder. Foto: Jelger Herder